ECLI:NL:CRVB:2023:2401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid bevestigd
Appellante ontving sinds 2018 een WIA-uitkering wegens volledige arbeidsongeschiktheid. Na bezwaar van haar voormalig werkgever heeft het UWV een nieuw medisch en arbeidskundig onderzoek uitgevoerd, waaruit bleek dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Op basis hiervan heeft het UWV de uitkering per 23 april 2021 beëindigd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze beëindiging ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd, ook al vond het eerste spreekuur telefonisch plaats vanwege COVID-19. De verzekeringsarts bezwaar en beroep voerde een fysiek onderzoek uit en concludeerde dat er geen aanvullende beperkingen waren voor de linkerarm. De arbeidsdeskundige stelde geschikte functies vast.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat preventieve beperkingen onterecht niet waren erkend. De Centrale Raad van Beroep volgde dit niet en onderschreef het oordeel van de rechtbank. De Raad stelde vast dat het medisch onderzoek adequaat was, de beperkingen juist waren vastgesteld en de geselecteerde functies passend zijn. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bleef in stand.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de WIA-uitkering terecht is beëindigd omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is.