ECLI:NL:CRVB:2023:2400

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
18 december 2023
Publicatiedatum
18 december 2023
Zaaknummer
22/1887 CRTV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Intrekking
Procedures
  • Schadevergoedingsuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbArt. 8:108 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking hoger beroep na gewijzigde beslissing UWV en toewijzing proceskosten

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland inzake een besluit van het UWV. Tijdens de procedure nam het UWV op 15 februari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar die geheel tegemoetkwam aan het beroep van appellante.

Hierdoor trok appellante het hoger beroep in en verzocht de Centrale Raad van Beroep het UWV te veroordelen in de proceskosten. Het UWV diende een verweerschrift in, maar het onderzoek ter zitting werd achterwege gelaten conform artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De Raad stelde vast dat de intrekking van het hoger beroep gerechtvaardigd was omdat het bestuursorgaan aan het beroep was tegemoetgekomen. Op grond van de toepasselijke wettelijke bepalingen werd het UWV veroordeeld tot betaling van de proceskosten van appellante, begroot op €3.108,-, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van in totaal €908,-. De uitspraak werd gedaan door S.B. Smit-Colenbrander op 18 december 2023.

Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierechten na intrekking van het hoger beroep vanwege gewijzigde beslissing.

Uitspraak

Datum uitspraak: 18 december 2023
22/1887 CRTV
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 10 mei 2022, 21/3004 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] , gevestigd te [vestigingsplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. W. Madna hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft op 15 februari 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar genomen.
Appellante heeft het hoger beroep ingetrokken en gelijktijdig aan de Raad verzocht het Uwv te veroordelen in de proceskosten.
Het Uwv heeft gebruik gemaakt van de gelegenheid een verweerschrift in te dienen.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb is deze bepaling van overeenkomstige toepassing op het hoger beroep.
Vastgesteld wordt dat appellante het hoger beroep heeft ingetrokken omdat het Uwv met de gewijzigde beslissing op bezwaar van 15 februari 2023 aan haar beroep is tegemoetgekomen.
De kosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 597,- in bezwaar (1 punt voor het indienen van een bezwaarschrift) op € 1.674,- in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) en € 837,- in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hogerberoepschrift) voor verleende rechtsbijstand. In totaal bedraagt de proceskostenvergoeding € 3.108,-.
Ook dient het Uwv het door appellante in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep
- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3.108,-.
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van
in totaal € 908,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S.B. Smit-Colenbrander, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2023.
(getekend) S.B. Smit-Colenbrander
(getekend) M.D.F. de Moor