Appellant, voormalig betontimmerman, maakte bezwaar tegen het UWV-besluit waarin zijn arbeidsongeschiktheid per 25 september 2020 werd vastgesteld op 53,11%. Hij stelde dat hij meer medische beperkingen had dan het UWV aannam, waardoor hij de geselecteerde functies niet kon vervullen. Na een eerdere uitspraak van de rechtbank die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad beoordeelde het hoger beroep aan de hand van medische en arbeidskundige rapporten. De medische beoordeling toonde aan dat de beperkingen van appellant per 25 september 2020 juist waren vastgesteld, ondanks dat in 2023 zwaardere beperkingen werden vastgesteld. De aangeleverde medische informatie, waaronder een MRI uit 2023 en eerdere orthopedische gegevens, leidde niet tot een andere beoordeling van de situatie in 2020. Ook de jichtaanvallen werden meegenomen in de functionele mogelijkhedenlijst.
De arbeidskundige beoordeling bevestigde dat de geselecteerde functies medisch passend waren. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.