ECLI:NL:CRVB:2023:2388
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken duurzaam arbeidsvermogen
Appellante vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van vermeende duurzame arbeidsongeschiktheid vanaf haar achttiende verjaardag. Het UWV weigerde de uitkering, waarop appellante bezwaar en beroep instelde. De rechtbank vernietigde het besluit en gaf het UWV opdracht een nieuwe beslissing te nemen, waarbij werd geoordeeld dat het UWV onvoldoende had onderzocht of appellante op haar achttiende verjaardag en de daaropvolgende vijf jaar arbeidsvermogen had.
Het UWV stelde in een aanvullend rapport dat appellante weliswaar medische beperkingen had, maar geen situatie van duurzaam geen arbeidsvermogen. De rechtbank verklaarde het beroep tegen de nieuwe beslissing ongegrond. Appellante stelde in hoger beroep dat zij wel degelijk duurzaam geen arbeidsvermogen had, onderbouwd met medische stukken en haar arbeidsverleden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante onvoldoende medische onderbouwing leverde om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te weerleggen. Ook het arbeidsverleden van appellante, waarin zij diverse werkzaamheden verrichtte, bevestigde dat zij over arbeidsvermogen beschikte. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en handhaafde de weigering van de Wajong-uitkering.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de Wajong-uitkering wegens het ontbreken van duurzaam arbeidsongeschiktheid.