ECLI:NL:CRVB:2023:2383
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid en loonaanvullingsuitkering volgens Wet WIA
Appellant was werkzaam als financieel planner en meldde zich in 2012 ziek. Het UWV kende hem vanaf 2014 een WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na bezwaar en beroep stelde het UWV de arbeidsongeschiktheid per 18 oktober 2021 vast op 35 tot 45%, waarna appellant een WGA-vervolguitkering ontving.
De rechtbank verklaarde het beroep tegen het eerste besluit niet-ontvankelijk en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond, waarbij een onafhankelijke revalidatiearts als deskundige werd gevolgd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) waren onderschat en dat aanvullende beperkingen voor persoonlijk en sociaal functioneren niet waren meegenomen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het UWV terecht de mate van arbeidsongeschiktheid op 36,16% heeft vastgesteld, volgde het oordeel van de onafhankelijke deskundige en verwierp de bezwaren van appellant. Het hoger beroep tegen het tweede besluit werd gegrond verklaard en het besluit vernietigd, het beroep tegen het derde besluit ongegrond. Het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt deels gegrond verklaard, het besluit van 17 augustus 2021 wordt vernietigd en het UWV wordt veroordeeld in de proceskosten.