ECLI:NL:CRVB:2023:2375
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vaststelling arbeidsongeschiktheid op 66,61% door UWV
Appellant, die een WGA-uitkering ontvangt, betwistte de vaststelling van zijn arbeidsongeschiktheid door het UWV op 66,61% per 6 augustus 2020. Hij stelde dat hij meer medische beperkingen heeft dan aangenomen en dat hij de geselecteerde voorbeeldfuncties niet kan vervullen vanwege zijn klachten en taal- en opleidingsniveau.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond, ondanks een procedureel gebrek dat in beroep was hersteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de beperkingen passend waren en dat appellant zelfstandig was in ADL-activiteiten. De Raad volgde dit oordeel en vond dat appellant onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor meer beperkingen.
De Raad overwoog dat de ernst van klachten zoals CTS pas na de datum in geding was toegenomen en dat de voorbeeldfuncties medisch passend zijn en aansluiten bij het opleidingsniveau van appellant. Het hoger beroep werd verworpen, de vaststelling van 66,61% arbeidsongeschiktheid bleef in stand en appellant kreeg geen proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op 66,61% wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.