Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:2207

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2023
Publicatiedatum
27 november 2023
Zaaknummer
23/18 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering ziekengeld wegens onveranderde medische beperkingen na WIA-beoordeling

Appellant was werkzaam als medewerker akkerbouw en meldde zich op 27 november 2017 ziek. Na een WIA-beoordeling in februari 2021 werd vastgesteld dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was, waardoor hij geen WIA-uitkering kreeg, maar wel geschikt werd geacht voor drie andere functies. Op 8 november 2021 meldde appellant zich opnieuw ziek en vroeg ziekengeld aan, dat door het Uwv werd geweigerd omdat de medische beperkingen niet waren toegenomen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat het onderzoek door verzekeringsartsen zorgvuldig was en dat appellant niet voldeed aan de criteria voor toekenning van ziekengeld. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij door zijn medische beperkingen niet in staat was de eerder geselecteerde functies te verrichten, onder meer vanwege medicijngebruik dat autorijden zou verhinderen.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat volgens vaste rechtspraak het recht op ziekengeld afhankelijk is van ongeschiktheid voor het laatst verrichte werk, met een uitzondering wanneer een WIA-beoordeling is gedaan. De Raad bevestigt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen en dat de geselecteerde functies passend blijven. Het hoger beroep wordt afgewezen en de weigering van ziekengeld blijft gehandhaafd. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld per 8 november 2021 wegens onveranderde medische beperkingen.

Uitspraak

23/18 ZW
Datum uitspraak: 22 november 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 2 december 2022, 22/1136 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 23 december 2021 heeft het Uwv geweigerd om aan appellant per 8 november 2021 ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) toe te kennen. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het Uwv is met een besluit van 9 februari 2022 (bestreden besluit) bij de weigering van het ziekengeld gebleven.
Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. J. Heek hoger beroep ingesteld. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Partijen hebben nog nadere reacties ingezonden.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 11 oktober 2023. Voor appellant is
mr. Heek verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L.J.M.M. de Poel.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Het gaat in deze zaak over de vraag of het Uwv terecht heeft geweigerd om appellant per 8 november 2021 ziekengeld toe te kennen. Volgens appellant was hij toen door zijn (medische) beperkingen niet in staat de eerder in het kader van de WIA-beoordeling geselecteerde functies te verrichten. De Raad volgt dit standpunt van appellant niet en komt tot het oordeel dat het Uwv het ziekengeld terecht heeft geweigerd.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.1.
Appellant was werkzaam als medewerker akkerbouw voor 36 uur per week en heeft zich op 27 november 2017 ziekgemeld. Na afloop van de voorgeschreven wachttijd en een aan de werkgever opgelegde loonsanctie heeft het Uwv bij besluit van 1 februari 2021 geweigerd aan appellant met ingang van 23 november 2020 een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Appellant werd niet meer in staat geacht tot het verrichten van zijn laatste werk als medewerker akkerbouw, maar wel tot het vervullen van drie andere functies.
1.2.
Het Uwv heeft appellant per 23 november 2020 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet toegekend. Appellant heeft zich op 8 november 2021 opnieuw ziekgemeld met lichamelijke klachten. In verband hiermee heeft hij op 22 december 2021 het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze arts heeft vastgesteld dat bij appellant per 8 november 2021 geen sprake is van toegenomen medische beperkingen ten opzichte van de eerdere WIAbeoordeling en appellant daarom nog steeds geschikt is voor de destijds geselecteerde functies van inpakker (handmatig) (SBC-code 111190), koerier, pakketbezorger (auto) (SBCcode 282102) en telefonist (centrale), medewerker callcenter (inbound) (SBC-code 315174). Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 23 december 2021 geweigerd om aan appellant per 8 november 2021 ziekengeld toe te kennen.
1.3.
In de bezwaarfase heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep onderzoek gedaan en een rapport opgesteld. Het Uwv heeft op basis hiervan geen aanleiding gezien voor wijziging van zijn standpunt.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het onderzoek door de verzekeringsartsen op voldoende zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden. Verder is niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van appellant. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 31 januari 2022 inzichtelijk gemotiveerd dat appellant niet voldoet aan de criteria om geen duurzaam benutbare mogelijkheden aan te nemen. Er is rekening gehouden met de diverse klachten van appellant en met de verkregen informatie van de behandelend sector. Voorts is genoegzaam toegelicht dat het medicatiegebruik van appellant geen reden is om hem niet geschikt te achten voor autorijden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn aanvullend rapport van 10 oktober 2020 nog gemotiveerd toegelicht dat de nieuwe, in beroep overgelegde, informatie geen aanleiding geeft om het ingenomen standpunt te wijzigen. Tevens heeft hij daarbij toegelicht dat appellant niet gevolgd kan worden in zijn standpunt dat er bij hem sprake is van een medische indicatie voor een duurbeperking. De rechtbank heeft ook geen aanknopingspunten gevonden om die conclusie te trekken en heeft het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep gevolgd. Het Uwv heeft appellant daarom terecht met ingang van 8 november 2021 in staat geacht tot het verrichten van zijn arbeid.
Het hoger beroep van appellant
3. Appellant is het met die uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij blijft bij zijn standpunt dat hij op en na 8 november 2021 niet in staat was om de eerder in het kader van de Wet WIA geselecteerd functies te verrichten. Appellant was meer beperkt in zijn arbeidsmogelijkheden dan het Uwv tot nu toe heeft aangenomen waardoor de Functionele Mogelijkhedenlijst van 30 januari 2021 en de voor de WIA geselecteerde functies van inpakker, koerier en telefonist niet langer passend waren voor hem op en na de datum in geding. Appellant heeft een toelichting gegeven op zijn medische aandoeningen, klachten en beperkingen. Appellant heeft verder toegelicht op welke punten de voor eerder geselecteerde functies niet geschikt voor hem zijn. Ten aanzien van de functie van koerier, pakketbezorger heeft appellant aangevoerd dat hij vanwege zijn medicijngebruik niet mag autorijden.

Het oordeel van de Raad

4.1.
De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het besluit om het ziekengeld te weigeren in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.2.
Op grond van artikel 19 van Pro de ZW heeft een betrokkene recht op ziekengeld als hij ongeschikt is voor ‘zijn arbeid’. Volgens vaste rechtspraak wordt met ‘zijn arbeid’ bedoeld het laatst verrichte werk voorafgaand aan de ziekmelding. Dit is de hoofdregel.
4.3.
Een uitzondering hierop wordt aangenomen in de situatie dat eerder een WIAbeoordeling heeft plaatsgevonden, betrokkene niet in enig werk heeft hervat en zich vervolgens weer ziek heeft gemeld. In een dergelijke situatie geldt het toetsingskader zoals uiteen is gezet in de uitspraak van de Raad van 23 december 2022 [1] . Uit deze uitspraak blijkt dat – anders dan voorheen in de rechtspraak werd aangenomen – een weigering van ziekengeld niet kan worden gebaseerd op slechts één van de in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies. Bij de toepassing van artikel 19 van Pro de ZW moet zijn voldaan aan de volgende twee voorwaarden:
van de oorspronkelijk bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies, met inbegrip van de functies die als reservefuncties aan de betrokkene zijn voorgehouden, zijn op de datum in geding ten minste drie functies met elk ten minste drie arbeidsplaatsen voor de verzekerde geschikt gebleven, én
op basis van die functies – gelet op de loonwaarde die die functies ten tijde van de WIA-beoordeling vertegenwoordigden, afgezet tegen het bij de WIA-beoordeling geldende maatmaninkomen – is nog steeds sprake van een arbeidsgeschiktheid van ten minste 65%.
4.4.
Aan deze voorwaarden is in ieder geval voldaan als de verzekeringsarts in het kader van de nieuwe ziekmelding vaststelt dat de medische beperkingen niet zijn toegenomen. Deze vaststelling is dan voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen.
4.5.
De gronden waarop het hoger beroep berust zijn grotendeels een herhaling van wat appellant in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellant uitvoerig en voldoende gemotiveerd besproken en met juistheid geoordeeld dat deze gronden niet slagen. De overwegingen die aan het oordeel van de rechtbank ten grondslag liggen worden onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.
4.6.
Appellant heeft in hoger beroep geen medische informatie overgelegd die aanleiding zou kunnen geven om aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep te twijfelen. Wat betreft het gebruik van het medicijn Amitriptyline heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapporten van 31 januari 2022 en 10 oktober 2022 navolgbaar toegelicht dat, ook gelet op de informatie van de huisarts, het medicatiegebruik door appellant op de datum in geding niet dusdanig hoog was dat appellant daarmee niet mocht autorijden. Dat die dosis kort na de datum in geding is verhoogd, doet hier niet aan af. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft daarover opgemerkt dat ook bij een hogere dosis van het betreffende medicijn na een zekere gewenningsperiode (weer) auto gereden mag worden. Hij heeft er daarbij op gewezen dat appellant volgens het dagverhaal feitelijk ook nog auto rijdt.
4.7.
Omdat de medische beperkingen van appellant sinds de eerdere WIA-beoordeling niet zijn toegenomen, is daarmee gegeven dat de bij de WIA-beoordeling geselecteerde functies in medisch en arbeidskundig opzicht ook per 8 november 2021 voor appellant geschikt zijn. Deze vaststelling is voldoende om een weigering van ziekengeld op grond van artikel 19 van Pro de ZW te kunnen dragen.

Conclusie en gevolgen

5. Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de weigering van het ziekengeld in stand blijft.
6. Appellant krijgt geen vergoeding voor zijn proceskosten. Hij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.J.J.M. Weyers, in tegenwoordigheid van S.C. Scholten als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2023.
(getekend) E.J.J.M. Weyers

(getekend) S.C. Scholten

Voetnoten

1.Uitspraak van 23 december 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2672.