ECLI:NL:CRVB:2023:2186
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging maandelijkse aflosbedrag studieschuld zonder rekening te houden met besteedbaar inkomen
Appellante heeft een studieschuld die zij moet terugbetalen. De minister stelde het maandelijkse aflosbedrag voor 2022 vast op €514,71, gebaseerd op de resterende duur van 104 maanden. Dit bedrag is lager dan het draagkrachtbedrag berekend op basis van het toetsingsinkomen van appellante.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat de minister het bedrag conform de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) heeft vastgesteld. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de wetgever expliciet heeft gekozen geen rekening te houden met het besteedbaar inkomen of individuele uitgavenpatroon.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar vaste lasten, waaronder een schuld voor haar ouders, een grote impact hebben op haar levenskwaliteit en verzocht om verlenging van de aflosfase tot 180 maanden. De Raad oordeelde dat een verlenging niet mogelijk is omdat dit indirect zou leiden tot rekening houden met het besteedbaar inkomen, wat de wetgever heeft uitgesloten.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit wettelijk juist is en dat er geen bijzondere omstandigheden zijn die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het maandelijkse aflosbedrag van de studieschuld wordt bevestigd zonder verlenging van de aflosfase of toepassing van de hardheidsclausule.