Appellante ontving sinds oktober 2019 een Wajong-uitkering vanwege een lichamelijke en geestelijke beperking. Na verhuizing naar Turkije weigerde het UWV de export van haar uitkering en beëindigde deze per 1 maart 2021. Appellante maakte bezwaar, maar het UWV handhaafde de besluiten. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde vast dat appellante sinds september 2020 bij haar moeder in Turkije woont, die voor haar verzorging noodzakelijk is.
De kern van het geschil betrof de toepassing van de hardheidsclausule in artikel 1a:8 Wajong, die in uitzonderlijke gevallen export van de uitkering mogelijk maakt. Appellante stelde dat haar moeder genoodzaakt was naar Turkije te verhuizen vanwege het ontbreken van geschikte woonruimte in Nederland, en dat het UWV ten onrechte de hardheidsclausule niet toepaste.
De Raad concludeerde dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er zwaarwegende redenen waren voor de moeder om buiten Nederland te wonen. Onderzoek toonde aan dat de moeder niet voldoende had gezocht naar woonruimte in Nederland en dat de verhuizing in 2015 een eigen keuze van de ouders was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat het beëindigen van de uitkering geen onbillijkheid van overwegende aard oplevert.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank bevestigd en de Wajong-uitkering beëindigd per 1 maart 2021. Appellante kreeg geen proceskostenvergoeding of terugbetaling van griffierecht.