Appellante ontvangt sinds 2013 een WIA-uitkering wegens psychische klachten, vastgesteld op 80 tot 100% arbeidsongeschiktheid. Het UWV heeft op 4 maart 2020 besloten de uitkering onveranderd te laten en de IVA-uitkering te weigeren omdat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in, maar zowel de rechtbank Limburg als de Centrale Raad van Beroep verklaarden het beroep ongegrond.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat er bij appellante nog behandelbare klachten zijn en dat bij het volgen van reguliere therapie verbetering mogelijk is. Appellante volgde sinds 2010 geen reguliere behandeling meer en maakte gebruik van alternatieve therapieën, waarvan het effect niet is aangetoond. De Raad oordeelde dat het UWV voldoende heeft gemotiveerd dat de arbeidsongeschiktheid niet duurzaam is, mede omdat appellante de reguliere behandelmogelijkheden niet benut.
Appellante voerde aan dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd welke behandeling verbetering zou brengen en dat zij al lange tijd dezelfde beperkingen heeft. De Raad verwierp dit en benadrukte dat de verzekeringsarts een concrete en deugdelijke afweging heeft gemaakt, onderbouwd met medische richtlijnen. De Raad concludeert dat appellante niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is en bevestigt de weigering van de IVA-uitkering. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.