Appellante was werkzaam als schoonmaakster bij twee werkgevers en meldde zich ziek met voet- en psychische klachten. Het Uwv kende haar een Ziektewet-uitkering toe, maar beëindigde deze per 11 februari 2020 omdat zij geschikt werd geacht voor andere functies. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen het besluit, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond.
Tijdens het hoger beroep nam het Uwv op 9 maart 2023 een gewijzigde beslissing op bezwaar waarin het bezwaar van appellante werd gehonoreerd en de Ziektewet-uitkering werd voortgezet. Hierdoor was het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
De Raad veroordeelde het Uwv tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht van appellante. De uitspraak werd gedaan door T. Dompeling op 16 november 2023.