ECLI:NL:CRVB:2023:2136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van arbeidsongeschiktheidsuitkering na zorgvuldige medische beoordeling
Appellant, laatst werkzaam als stuwer-tallyman, viel in 1992 uit wegens rugklachten en ontving een arbeidsongeschiktheidsuitkering van 80-100%. Na een herbeoordeling in 2019 stelde het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid vast op 35-45%. Het bezwaar van appellant leidde tot een aangescherpte Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) met extra beperkingen, maar de geselecteerde functies bleven passend.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen niet werden onderschat. Appellant voerde in hoger beroep aan dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was en dat er sprake was van kanker en neurologische uitval, wat volgens hem niet voldoende was meegewogen. Ook stelde hij dat de functies niet passend waren vanwege beperkingen in zitten en het gebruik van de linkerarm.
De Raad concludeert dat het medisch onderzoek en de FML van 8 september 2021 voldoende rekening houden met de beperkingen van appellant. Het gedetailleerde medische rapport van 2022 leidt niet tot een ander oordeel. De arbeidsdeskundige heeft overtuigend gemotiveerd dat de geselecteerde functies passend zijn, met voldoende afwisseling in houding en zonder langdurige druk op de elleboog. De bezwaren over zitten en taalvaardigheid leiden niet tot een andere uitkomst.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de uitkering op basis van 35-45% arbeidsongeschiktheid blijft gehandhaafd.