Appellant was sinds 1 april 2021 ziekgemeld en ontving een Ziektewetuitkering. Het UWV beëindigde deze uitkering per 5 januari 2022 op basis van een oordeel van een verzekeringsarts dat appellant geschikt was voor arbeid. Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij door beperkingen, waaronder een later gestelde diagnose sarcoïdose, niet in staat was zijn eigen werk te verrichten.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een juist en volledig beeld had van de medische situatie. De Raad bevestigt dit oordeel na beoordeling van de medische stukken, waaronder rapportages van huisarts, orthopeed en oogarts, en concludeert dat er op de datum in geding geen sprake was van zodanige beperkingen dat appellant arbeidsongeschikt was.
De Raad overweegt dat de klachten van appellant pas in februari 2022 een acute ernstige vorm aannamen en dat de diagnose sarcoïdose geen aanleiding geeft tot het aannemen van beperkingen op 5 januari 2022. Omdat er geen twijfel bestaat over de medische beoordeling, is benoeming van een deskundige niet nodig. Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ZW-uitkering blijft in stand.