Appellante, werkzaam als klantmanager, meldde zich op 28 januari 2020 ziek. Volgens medische rapporten was zij op 12 november 2021 volledig belastbaar voor haar eigen werk. Het UWV wees haar aanvraag voor een WIA-uitkering af omdat zij de wachttijd van 104 weken niet had volbracht. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV mocht uitgaan van de gegevens van de bedrijfsarts.
Appellante betwistte in hoger beroep de hersteldmelding en stelde dat zij op 12 november 2021 nog niet volledig hersteld was. Zij voerde aan dat het UWV een zelfstandige beoordeling had moeten maken van haar belastbaarheid en het reintegratietraject. De Centrale Raad van Beroep oordeelde echter dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat appellante voor het einde van de wachttijd volledig aan het werk was en dat de rechtbank het bestreden besluit terecht in stand hield.
De Raad benadrukte dat de wachttijd van 104 weken niet was voltooid en dat de volledige werkhervatting vóór het einde van deze periode plaatsvond. De ervaringen van appellante tijdens het reintegratietraject leiden niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep wordt verworpen en de weigering van de WIA-uitkering blijft van kracht.