Uitspraak
22 3847 WIA
3 november 2022, 21/4909 (aangevallen uitspraak)
Centrale Raad van Beroep
Appellante werkte tot februari 2018 als administratief medewerker en daarna als telemarketeer. Na beëindiging van haar dienstverband ontving zij diverse uitkeringen, waaronder een Ziektewetuitkering vanaf september 2018. Het UWV weigerde een WIA-uitkering toe te kennen per 26 september 2020 omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was vastgesteld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen juist waren vastgesteld. De verzekeringsartsen concludeerden dat er geen neurologische afwijkingen waren en dat de pijnklachten als fibromyalgie waren betrokken in de beoordeling. Psychische klachten leidden niet tot verdere beperkingen.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt dat zij meer beperkt is, onderbouwd met een verklaring van een chiropractor uit 2023. De Raad oordeelde dat deze informatie niet relevant is voor de datum in geding en dat het UWV voldoende duidelijk heeft onderbouwd dat appellante in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
De Raad concludeert dat het hoger beroep niet slaagt en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WIA-uitkering wordt bevestigd.