ECLI:NL:CRVB:2023:1950
Centrale Raad van Beroep
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing nabestaandenuitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellant heeft herhaaldelijk verzocht om toekenning van een nabestaandenuitkering na het overlijden van zijn echtgenote op 4 oktober 2012. De Sociale verzekeringsbank (Svb) heeft deze aanvragen telkens geweigerd, omdat appellant niet voldeed aan de eis van meer dan 45% arbeidsongeschiktheid ten tijde van het overlijden. Deze weigering is gebaseerd op een besluit van 18 februari 2013 en is sindsdien ongewijzigd gebleven.
In januari 2019, februari 2021 en augustus 2021 heeft appellant opnieuw aanvragen ingediend die door de Svb zijn opgevat als verzoeken tot herziening van het eerdere besluit op grond van artikel 4:6 Awb Pro. De Svb heeft deze verzoeken afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden en omdat het eerdere besluit niet onmiskenbaar onjuist was. De rechtbank Amsterdam heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat een medisch rapport uit Turkije zou aantonen dat hij minstens 48% arbeidsongeschikt was en dat de afwijzing in strijd is met het Niet-Terugkeerverdrag (NTV). Tevens vordert hij vergoeding van materiële en immateriële schade wegens het niet uitbetalen van de uitkering. De Centrale Raad van Beroep onderschrijft het oordeel van de rechtbank en bevestigt dat appellant geen nieuwe feiten heeft aangevoerd en dat het besluit van de Svb niet onrechtmatig is. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom eveneens afgewezen.
Uitkomst: De afwijzing van de nabestaandenuitkering wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en het ontbreken van nieuwe feiten.