Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2023:1947

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 oktober 2023
Publicatiedatum
20 oktober 2023
Zaaknummer
22/1641 WMO15
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbWet maatschappelijke ondersteuning 2015
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens niet verschoonbare termijnoverschrijding Wmo 2015

Appellante had bezwaar gemaakt tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Almere over een maatwerkvoorziening op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). Het college had het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard omdat het binnengekomen bezwaar te laat was ingediend en de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was.

De rechtbank Midden-Nederland verklaarde het beroep van appellante tegen deze niet-ontvankelijkverklaring ongegrond. De rechtbank oordeelde dat appellante voldoende duidelijkheid had over het aantal uren huishoudelijke hulp waarop zij recht had, zoals vermeld in het persoonlijk ondersteuningsplan dat onderdeel uitmaakt van het besluit. Hierdoor was de termijnoverschrijding niet verschoonbaar.

Appellante voerde in hoger beroep aan dat er sprake was van rechtsongelijkheid omdat haar gemachtigde voor anderen wel een verschoonbare termijnoverschrijding werd aangenomen, maar deze stelling was onvoldoende onderbouwd. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens een niet verschoonbare termijnoverschrijding wordt bevestigd.

Uitspraak

22.1641 WMO15

Datum uitspraak: 20 oktober 2023
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 4 april 2022, 21/2115 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
het college van burgemeester en wethouders van Almere (college)
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. K. Wevers hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Onder toepassing van artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht is het onderzoek ter zitting achterwege gelaten. Vervolgens is het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1.
Het college heeft aan appellante bij besluit van 29 oktober 2020 op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 een maatwerkvoorziening in de vorm van het ondersteuningsarrangement Lichamelijke achteruitgang Pakket A (HH) verstrekt voor de periode van 2 november 2020 tot en met 13 september 2021, in de vorm van zorg in natura. In het besluit is verwezen naar het persoonlijk ondersteuningsplan. Daarbij is weergegeven dat dit plan onderdeel uitmaakt van het besluit en dat in dit plan de doelen van de ondersteuning en de daarbij behorende zorginzet in uren worden geconcretiseerd.
1.2.
Bij besluit van 29 maart 2021 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de wettelijke termijn van zes weken voor het indienen van een bezwaarschrift is overschreden. Van een verschoonbare termijnoverschrijding is geen sprake.
2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen, dat, anders dan in de situatie die is beschreven in de door appellante genoemde uitspraak van de Raad van 18 oktober 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:3633, in het geval van appellante door het college is vastgesteld dat zij recht heeft op drie uur per week aan huishoudelijke hulp. Dit urenaantal is genoemd in het onlosmakelijk van het besluit van 29 oktober 2020 deel uitmakende en door appellante ondertekende persoonlijk ondersteuningsplan. In dat plan is ook genoemd welke werkzaamheden de huishoudelijke hulp gaat verrichten en wat de frequentie van die werkzaamheden is. Het was voor appellante voldoende duidelijk op hoeveel uren aan huishoudelijke hulp zij recht had. Het college heeft het op 23 februari 2021 ontvangen bezwaar daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard in verband met een niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.
3. Appellante is het niet eens met het oordeel van de rechtbank dat het college terecht het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens een niet verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn van zes weken.
4. De Raad overweegt het volgende.
4.1.
Appellante heeft in hoger beroep in grote lijnen haar beroepsgronden herhaald. De rechtbank heeft deze beroepsgronden in de aangevallen uitspraak besproken. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank over deze beroepsgronden. Daaraan voegt de Raad het volgende toe.
4.2.
De stelling dat sprake is van rechtsongelijkheid, omdat de gemachtigde van appellante ook voor vele anderen te laat bezwaarschriften heeft ingediend waarbij wél is aangenomen dat sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding, treft alleen al geen doel, omdat deze stelling niet is onderbouwd.
4.3.
Het hoger beroep slaagt daarom niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.
5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D. Hardonk-Prins, in tegenwoordigheid van S.S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2023.
(getekend) D. Hardonk-Prins
(getekend) S.S. Blok