ECLI:NL:CRVB:2023:1923
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en weigering ZW-uitkering constructieschilder wegens geschiktheid tot werk
Appellant, voormalig constructieschilder, kreeg een ZW-uitkering die het UWV per 11 maart 2020 beëindigde nadat een verzekeringsarts hem geschikt achtte voor zijn werk. Op 14 april 2020 meldde appellant zich opnieuw ziek, maar ook toen werd hij geschikt bevonden voor zijn functie, waarna het UWV de hernieuwde toekenning van de ZW-uitkering weigerde.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat er onvoldoende medische gronden waren om appellant arbeidsongeschikt te achten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep motiveerde uitvoerig dat de klachten van appellant, waaronder linkerelleboog- en darmklachten, hem niet verhinderden zijn werk uit te voeren binnen de Arbonormen.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn medische beperkingen hem verhinderen meerdere keren per dag steigers af en op te klimmen, maar de Raad volgde dit niet. Uit medische rapporten bleek dat de ernst van de klachten op de data in geding onvoldoende was om arbeidsongeschiktheid vast te stellen. De Raad concludeerde dat het UWV de uitkering terecht beëindigde en de weigering handhaafde.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarmee de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Appellant krijgt geen proceskostenvergoeding en het betaalde griffierecht wordt niet teruggegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de ZW-uitkering heeft beëindigd en geweigerd.