ECLI:NL:CRVB:2023:1911
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens ontbreken hoofdverblijf op uitkeringsadres
Appellante ontving sinds 2010 bijstand en huurde een woning op het uitkeringsadres. Naar aanleiding van een melding dat de woning langere tijd onbewoond was, stelde het college een onderzoek in. Dit leidde tot intrekking van de bijstand per 1 mei 2017 en terugvordering van €14.451,13.
De rechtbank oordeelde dat het college voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellante haar hoofdverblijf niet langer op het uitkeringsadres had. Bewijzen waren onder meer het leegstaande huis, lage verbruiksgegevens, verklaringen van buurtbewoners en vaststellingen van toezichthouders. Appellante slaagde er niet in dit te weerleggen met haar stukken.
In hoger beroep voerde appellante aan dat het college dit niet aannemelijk had gemaakt en verwees zij naar verklaringen over bezoeken aan huisarts en apotheek. De Raad oordeelde dat het college de bewijslast droeg en dat het zwaartepunt van het persoonlijk leven van appellante niet op het uitkeringsadres lag. De Raad vond de argumenten van appellante onvoldoende om het oordeel van de rechtbank te wijzigen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Appellante krijgt geen terugbetaling van griffierecht of proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van bijstand worden bevestigd omdat appellante haar hoofdverblijf niet langer op het uitkeringsadres had.