ECLI:NL:CRVB:2023:1904
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel niet onzorgvuldig
Appellant, een Litouwse gemeenschapsonderdaan, ontving bijstand sinds januari 2019. De staatssecretaris wijzigde met terugwerkende kracht per 1 december 2019 de verblijfsstatus van appellant, waardoor hij geen recht meer had op bijstand. Het college ontving hiervan bericht en beëindigde de bijstand per 5 juli 2020. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het college onzorgvuldig had gehandeld en onvoldoende rekening had gehouden met zijn medische situatie.
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond omdat de staatssecretaris reeds had vastgesteld dat appellant niet langer rechtmatig verbleef en appellant geen rechtsmiddel had aangewend tegen die beslissing. Het college hoefde daarom niet zelfstandig de verblijfsstatus vast te stellen of nader onderzoek te doen naar medische omstandigheden.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college niet bevoegd was zelfstandig vast te stellen dat hij geen verblijfsrecht meer had en dat zijn medische situatie relevant was. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van de juiste verblijfsinformatie van de IND en dat appellant zijn medische situatie niet voldoende had onderbouwd. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de bijstand bleef in stand.
Uitkomst: De beëindiging van de bijstand per 5 juli 2020 wordt bevestigd omdat appellant geen geldige verblijfstitel meer had.