ECLI:NL:CRVB:2023:1904

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
26 september 2023
Publicatiedatum
13 oktober 2023
Zaaknummer
20/4239 PW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 PWArt. 8:57 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beëindiging bijstand wegens ontbreken geldige verblijfstitel niet onzorgvuldig

Appellant, een Litouwse gemeenschapsonderdaan, ontving bijstand sinds januari 2019. De staatssecretaris wijzigde met terugwerkende kracht per 1 december 2019 de verblijfsstatus van appellant, waardoor hij geen recht meer had op bijstand. Het college ontving hiervan bericht en beëindigde de bijstand per 5 juli 2020. Appellant maakte bezwaar en stelde dat het college onzorgvuldig had gehandeld en onvoldoende rekening had gehouden met zijn medische situatie.

De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond omdat de staatssecretaris reeds had vastgesteld dat appellant niet langer rechtmatig verbleef en appellant geen rechtsmiddel had aangewend tegen die beslissing. Het college hoefde daarom niet zelfstandig de verblijfsstatus vast te stellen of nader onderzoek te doen naar medische omstandigheden.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het college niet bevoegd was zelfstandig vast te stellen dat hij geen verblijfsrecht meer had en dat zijn medische situatie relevant was. De Raad oordeelde dat het college terecht uitging van de juiste verblijfsinformatie van de IND en dat appellant zijn medische situatie niet voldoende had onderbouwd. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de bijstand bleef in stand.

Uitkomst: De beëindiging van de bijstand per 5 juli 2020 wordt bevestigd omdat appellant geen geldige verblijfstitel meer had.

Uitspraak

20/4239 PW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam van 2 november 2020, 20/5513 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[Appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)
Datum uitspraak: 26 september 2023
PROCESVERLOOP
Met een besluit van 3 juli 2020 heeft het college de bijstand van appellant ingevolge de Participatiewet (PW) met ingang van 5 juli 2020 beëindigd op de grond dat appellant niet langer rechtmatig verblijf heeft als gemeenschapsonderdaan. Appellant heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar het college is met een besluit van 20 oktober 2020 (bestreden besluit) bij de beëindiging gebleven. Appellant heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De voorzieningenrechter van de rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. S. Mathoerapersad, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft partijen bij brief van 21 juli 2023 laten weten hoe de Raad het geschil voorshands ziet en ook dat de Raad een zitting niet nodig vindt. De Raad heeft partijen gewezen op hun recht om ter zitting te worden gehoord. Partijen hebben toestemming gegeven om een onderzoek ter zitting achterwege te laten. Daarop heeft de Raad met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en daarna het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

Deze zaak gaat over een beëindiging van bijstand met ingang van 5 juli 2020. Het college stelt dat appellant geen geldige verblijfstitel meer heeft en daarom niet langer met een Nederlander gelijk kan worden gesteld als bedoeld in artikel 11 van Pro de PW. Appellant is het daar niet mee eens en voert aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is. Ook voert hij aan dat geen aandacht is geschonken aan zijn medische situatie. De beroepsgronden van appellant slagen niet.

Inleiding

1.1.
Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.
1.2.
Appellant, die de Litouwse nationaliteit heeft en ten tijde in geding in Nederland verbleef, ontving sinds 3 januari 2019 bijstand ingevolge de PW naar de norm van een alleenstaande.
1.3.
Met een besluit van 5 juni 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (staatssecretaris) de verblijfsstatus van appellant gewijzigd. De staatssecretaris heeft de verblijfscode van appellant met terugwerkende kracht per 1 december 2019 gewijzigd naar code 41. Dit betekent dat appellant als gemeenschapsonderdaan geen recht op bijstand heeft. Het college heeft op 9 juni 2020 een signaal van de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) ontvangen over de gewijzigde verblijfsstatus van appellant.
1.4.
Met een brief van 9 juni 2020 heeft het college appellant onder meer verzocht om een bewijs in te dienen van een beroepsprocedure tegen het beluit van de staatssecretaris over zijn gewijzigde verblijfsstatus. Aan dit verzoek heeft appellant geen gevolg gegeven. Bij besluit van 25 juni 2020 heeft het college de bijstand van appellant met ingang van 1 juli 2020 opgeschort en appellant een hersteltermijn geboden om alsnog het gevraagde bewijs in te dienen. Op 3 juli 2020 heeft appellant het college telefonisch meegedeeld dat hij geen rechtsmiddel wil indienen tegen het besluit van staatssecretaris.
1.5.
Het college heeft daarna de besluiten genomen die al zijn genoemd onder het procesverloop.
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer overwogen dat uit het dossier blijkt dat de staatssecretaris vóór de besluiten van het college al had beslist over de verblijfstatus van appellant. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting verklaard dat appellant besloten heeft om de procedure bij de IND niet door te zetten. Ook heeft de voorzieningenrechter overwogen dat er geen aanleiding voor het college was om nader onderzoek te doen naar de medische situatie van appellant. Appellant heeft pas in bezwaar gesteld dat hij arbeidsongeschikt is, maar hij heeft hiervan geen bewijsstukken overgelegd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de aangevallen uitspraak niet eens. Daartoe voert hij aan dat de besluitvorming onzorgvuldig is genomen. Appellant stelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 18 maart 2013, [1] dat het college niet bevoegd was om zelfstandig vast te stellen dat appellant geen verblijfsrecht meer had. Het college had daarover in overleg moeten treden met de staatssecretaris. Verder meent appellant dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de medische situatie van appellant. Het college had appellant hierover moeten horen en relevante informatie moeten verzamelen. Dan was aan het licht gekomen dat appellant medische problemen ondervindt die van belang zijn voor zijn verblijfsrechtelijke status.

Het oordeel van de Raad

4. De Raad beoordeelt of de voorzieningenrechter van de rechtbank terecht het in bezwaar gehandhaafde besluit tot beëindiging van de bijstand in stand heeft gelaten. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft
4.1.
Volgens vaste rechtspraak mag de bijstandverlenende instantie uitgaan van de juistheid van de verblijfsrechtelijke informatie, zoals deze wordt verstrekt door de IND. Het is immers de primaire verantwoordelijkheid van de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om te beoordelen of vreemdelingen hier te lande rechtmatig verblijven. [2] Het college heeft er terecht op heeft gewezen dat de staatssecretaris bij besluit van 5 juni 2020 heeft vastgesteld dat het rechtmatig verblijf van appellant was geëindigd. Appellant heeft het college meegedeeld dat hij daartegen geen rechtsmiddel heeft aangewend. Het college heeft gelet hierop – anders dan appellant stelt – niet zelfstandig vastgesteld dat appellant geen verblijfsrechtelijke status meer had.
4.2.
De rechtbank is – anders dan appellant aanvoert – niet voorbijgegaan aan de medische situatie van appellant. De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant zijn standpunt in zoverre niet heeft onderbouwd. Of en in hoeverre appellant medische problemen ondervindt die van belang zijn voor zijn verblijfsrechtelijke status is hier echter niet relevant. Appellant had dat in een procedure tegen de besluitvorming van de staatssecretaris moeten aanvoeren. Het college hoefde gelet hierop op geen nader onderzoek te doen naar de medische situatie van appellant.

Conclusie en gevolgen

4.3.
Het hoger beroep slaagt dus niet. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd. Dit betekent dat de beëindiging van de bijstand van appellant per 5 juli 2020 in stand blijft.
5. Appellant krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door P.W. van Straalen, in tegenwoordigheid van M.V. Kamphuis als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2023.
(getekend) P.W. van Straalen
(getekend) M.V. Kamphuis

Voetnoten

2.Uitspraak van 17 december 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:4212 en de door appellant genoemde uitspraak van 18 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ3857