ECLI:NL:CRVB:2023:1894
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek proceskostenveroordeling na intrekking hoger beroep wegens nieuwe feiten
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland en dit beroep later ingetrokken nadat het college van burgemeester en wethouders van Utrecht een nieuw besluit nam waarin appellant werd ontheven van de arbeids- en sollicitatieplicht tot 15 september 2023. Hoewel het college volledig tegemoet is gekomen aan appellant, heeft het college verweer gevoerd tegen een proceskostenveroordeling omdat het nieuwe besluit gebaseerd was op nieuwe feiten en omstandigheden die zich tijdens de eerdere bezwaar- en beroepsprocedure nog niet voordeden.
De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat op grond van artikel 8:75a Awb een bestuursorgaan op verzoek van de indiener van het beroep in de kosten kan worden veroordeeld indien het beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk tegemoet is gekomen. Deze regeling is ook van toepassing op hoger beroep volgens artikel 8:108 Awb Pro.
De Raad concludeert echter dat het college het besluit van 21 november 2022 heeft genomen op basis van nieuwe feiten, namelijk een melding van toename van klachten en een daarop gebaseerd nieuw onderzoek naar de belastbaarheid van appellant. Omdat deze feiten zich tijdens de behandeling van het bezwaar en het beroep nog niet voordeden, bestaat geen aanleiding om het college te veroordelen in de proceskosten.
Daarom wijst de Centrale Raad van Beroep het verzoek om proceskostenveroordeling af en sluit de procedure zonder zitting af.
Uitkomst: Het verzoek om proceskostenveroordeling wordt afgewezen omdat het college het nieuwe besluit baseerde op nieuwe feiten die tijdens bezwaar en beroep nog niet bestonden.