ECLI:NL:CRVB:2023:1789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot vaststelling draagkracht studieschuld met terugwerkende kracht
Appellant heeft een studieschuld die vanaf 2004 wordt afgelost. Voor de jaren 2008 tot en met 2013 heeft appellant verzocht alsnog zijn draagkracht vast te stellen, maar dit verzoek is afgewezen omdat het niet tijdig is ingediend. De minister heeft het verzoek geweigerd op grond van artikel 10a.7 van de Wet studiefinanciering 2000, dat geen terugwerkende vaststelling van draagkracht toestaat.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard en geoordeeld dat er geen bijzondere omstandigheden waren die toepassing van de hardheidsclausule rechtvaardigen. Appellant stelde dat hij door verblijf in het buitenland geen berichten ontving, een laag inkomen had en werd belast met de zorg voor zieke kinderen, maar deze omstandigheden zijn niet voldoende onderbouwd of wegen niet op tegen het wettelijke kader.
De Raad overweegt dat het niet doorgeven van het buitenlandse adres en het niet reageren op verzoeken van DUO voor risico van appellant komen. Ook het niet tijdig indienen van het verzoek leidt tot afwijzing, ook al zou het materieel gunstig kunnen zijn. De stelling van ernstige gezondheidsproblemen is niet met objectieve gegevens onderbouwd. Het hoger beroep wordt daarom verworpen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek tot vaststelling van draagkracht voor de jaren 2008-2013 wordt afgewezen wegens te late indiening en ontbreken van bijzondere omstandigheden.