Uitspraak
OVERWEGINGEN
Samenvatting
Inleiding
.
Centrale Raad van Beroep
Appellante, voormalig wijkverpleegkundige, is sinds 2014 arbeidsongeschikt en ontvangt een WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. Na een herbeoordeling door het UWV in 2020 werd haar arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 37,82%, een daling ten opzichte van eerdere percentages. Appellante betwist deze vaststelling en stelt dat haar medische situatie niet is verbeterd en dat zij niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij zij oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de arbeidsdeskundige de functies passend had geselecteerd. Appellante ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft het hoger beroep behandeld en concludeerde dat het UWV de mate van arbeidsongeschiktheid terecht heeft vastgesteld. De medische rapporten zijn zorgvuldig en onderbouwd, en de arbeidsdeskundige heeft passende functies geselecteerd. De Raad volgt het standpunt van appellante niet en bevestigt het bestreden besluit. Appellante krijgt geen vergoeding van proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 37,82% door het UWV.