ECLI:NL:CRVB:2023:1565
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering ten onrechte ontvangen bijstand na erfenis
Appellant ontving sinds 2008 bijstand en woonde bij zijn moeder. Na het overlijden van zijn moeder op 26 maart 2021 erfde hij de woning en vermogen. Het college herzag daarop de bijstand en trok deze per 26 maart 2021 in, omdat appellant geen informatie wilde verstrekken over de erfenis. Hierdoor ontving appellant over die periode ten onrechte bijstand.
Appellant maakte bezwaar tegen de terugvordering van €197,74, stellende dat hij op advies van zijn advocaat de bijstand had laten intrekken en dat er kosten uit de erfenis volgden die niet waren meegewogen. Ook klaagde hij dat de gemeente hem onvoldoende ondersteunde bij het vinden van werk.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat appellant de bijstand over de betreffende periode moest terugbetalen omdat hij redelijkerwijs had kunnen begrijpen dat hij ten onrechte bijstand ontving. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel, wijst de argumenten van appellant af en benadrukt dat het niet verstrekken van informatie en het niet meenemen van kosten uit de erfenis voor zijn eigen risico zijn. De Raad ziet geen verband tussen de terugvordering en de door appellant genoemde werkzoekactiviteiten.
Het hoger beroep wordt verworpen en de terugvordering blijft in stand.
Uitkomst: De terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand over eind maart 2021 wordt bevestigd.