ECLI:NL:CRVB:2023:156
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid en vervallen urenbeperking
Appellant was werkzaam als kok en meldde zich in 2014 ziek met lichamelijke klachten. Het UWV stelde vast dat appellant belastbaar was met beperkingen volgens een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en berekende de arbeidsongeschiktheid op basis van voorbeeldfuncties. Het UWV weigerde een WIA-uitkering omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en de arbeidskundige onderbouwing voldoende. Appellant stelde in hoger beroep dat de urenbeperking onterecht was vervallen en dat medicijngebruik en pijnsyndroom een urenbeperking rechtvaardigden. Ook voerde appellant aan dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met de verklaring van een Duitse arts over medicatie en het gebruik van machines.
De Raad oordeelde dat de urenbeperking terecht was vervallen omdat er geen medische noodzaak meer was voor extra recuperatie en dat de medicatie geen aanleiding gaf tot andere conclusies. De voorbeeldfuncties waren passend en hielden rekening met beperkingen zoals het niet werken met gevaarlijke machines. De algemene informatie over gevaarlijke machines was onvoldoende om het oordeel te weerleggen.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WIA-uitkering heeft geweigerd en de urenbeperking op goede gronden is vervallen.