ECLI:NL:CRVB:2023:1509

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 augustus 2023
Publicatiedatum
3 augustus 2023
Zaaknummer
23 / 1386 WMO15-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75a AwbArt. 8:81 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verzoek voorlopige voorziening en proceskostenveroordeling college Amsterdam

Verzoekster diende een verzoek om voorlopige voorziening in bij de Centrale Raad van Beroep met het doel de voortzetting van opvang te bewerkstelligen. Tijdens de zitting op 18 juli 2023 trok verzoekster het verzoek in nadat het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam had toegezegd de opvang voort te zetten. Hierdoor was het doel van het verzoek bereikt en was sprake van tegemoetkoming door het bestuursorgaan.

Op grond van artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht kan het bestuursorgaan bij intrekking van het verzoek en tegemoetkoming in het verzoek worden veroordeeld in de proceskosten. De voorzieningenrechter veroordeelde het college dan ook tot vergoeding van de proceskosten aan verzoekster, begroot op €1.674,- voor verleende rechtsbijstand. Tevens werd het betaalde griffierecht van €136,- aan verzoekster vergoed.

De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J. Brand op 2 augustus 2023 in aanwezigheid van griffier S. Blok. Het college heeft zich niet tegen de proceskostenveroordeling verweerd.

Uitkomst: Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wordt veroordeeld in de proceskosten van verzoekster na intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening.

Uitspraak

Datum uitspraak: 2 augustus 2023
23/1386 WMO15-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:75a en 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het verzoek om voorlopige voorziening.
Partijen:
[Verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)
het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. E.C. Weijsenfeld, advocaat, een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.
Het verzoek om voorlopige voorziening is op 18 juli 2023 ter zitting behandeld, waar verzoekster is verschenen in bijzijn van mr. E.C. Weijsenfeld en het college werd vertegenwoordigd door mr. E.D. Mensing-van Charante.
Het verzoek om voorlopige voorziening is ter zitting ingetrokken en er is verzocht het college te veroordelen in de proceskosten.
Het college heeft zich hiertegen niet verweerd.

OVERWEGINGEN

Artikel 8:75a, eerste lid, eerste volzin, van de Awb bepaalt dat in geval van intrekking van het beroep omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb in de kosten kan worden veroordeeld. Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in geval van een voorlopige voorziening.
Het verzoek was erop gericht om de opvang voort te zetten. Tijdens de zitting heeft het college toegezegd de opvang voort te zetten, omdat de bodemzaak met het kenmerk
23/1277 WMO15 al begin september op zitting zal worden behandeld. Vervolgens heeft verzoekster het verzoek ingetrokken.
Daarmee is voor zover het de voorlopige voorzieningenprocedure betreft sprake van tegemoetkoming. Het doel van het verzoek is immers bereikt.
Het college wordt veroordeeld in de kosten die verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening heeft moeten maken. De proceskosten worden, ingevolge het Besluit proceskosten bestuursrecht, begroot op € 1.674, - voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep:
- veroordeelt het college in de kosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.674;
- bepaalt dat de griffier van de Raad aan verzoekster het betaalde griffierecht van €136,-
vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van S. Blok als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 augustus 2023.
(getekend) J. Brand
(getekend) S. Blok