ECLI:NL:CRVB:2023:1452
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening studiefinanciering wegens niet-wonen op BRP-adres
Appellante stond ingeschreven op een adres in de basisregistratie personen (BRP) en ontving studiefinanciering als uitwonende studente vanaf januari 2017. De minister voerde een onderzoek uit waarbij verklaringen van buurtbewoners werden verzameld, die aannemelijk maakten dat appellante niet op het BRP-adres woonde.
Op basis van deze verklaringen herzag de minister de studiefinanciering en kwalificeerde appellante als thuiswonend, met terugvordering van te veel ontvangen bedragen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat het bewijs van de minister voldoende was en het tegenbewijs van appellante onvoldoende.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij wel op het BRP-adres woonde en dat de verklaringen van de buren niet betrouwbaar waren. De Raad onderschreef echter het oordeel van de rechtbank dat de verklaringen van de buurtbewoners betrouwbaar en consistent waren, en dat het tegenbewijs van appellante onvoldoende was om het bewijs van de minister te weerleggen.
De Raad wees ook de argumenten van appellante af dat de verklaringen van haar getuigen niet waren ondertekend en dat de buren niet met zekerheid konden oordelen vanwege de ligging van de woonkamers. De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet op haar BRP-adres woonde en wijst het hoger beroep af.