ECLI:NL:CRVB:2023:1426
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld wegens geschiktheid voor eigen arbeid
Appellant was sinds april 2021 werkzaam als monteur en meldde zich ziek met buikklachten. Het dienstverband eindigde op dezelfde dag als de ziekmelding. Het UWV kende appellant een Ziektewetuitkering toe, maar stelde per 3 september 2021 vast dat hij geschikt was voor zijn eigen arbeid en beëindigde het ziekengeld. Appellant maakte bezwaar, dat werd ongegrond verklaard.
De rechtbank Limburg verklaarde het beroep van appellant ongegrond en oordeelde dat de medische rapporten van het UWV zorgvuldig en voldoende gemotiveerd waren. Appellant voerde in hoger beroep aan dat zijn klachten en beperkingen werden onderschat en dat hij door het beëindigen van de behandelrelatie met zijn huisarts niet in staat was medische stukken te overleggen, wat volgens hem een schending van het gelijkheidsbeginsel betekende.
De Raad concludeerde dat appellant voldoende gelegenheid had gehad om medische informatie te overleggen en dat het ontbreken van een huisarts geen belemmering vormde. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat appellant geschikt is voor zijn arbeid als monteur. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het recht op ziekengeld wordt beëindigd per 3 september 2021.