ECLI:NL:CRVB:2023:1401
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging ZW-uitkering wegens verdiencapaciteit boven 65% maatmaninkomen bevestigd
Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker, meldde zich ziek op 11 november 2019 en ontving een Ziektewetuitkering. Na een eerstejaars beoordeling stelde het Uwv vast dat appellant met beperkingen nog 82,73% van zijn maatmaninkomen kan verdienen en beëindigde daarom de uitkering per 31 december 2020. Appellant maakte bezwaar en beroep tegen dit besluit, waarbij medische en arbeidskundige rapporten werden opgesteld en beoordeeld.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, oordelend dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen passend waren vastgesteld, ook met betrekking tot knie- en psychische klachten. In hoger beroep voerde appellant aan dat het Uwv onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen, met name op het gebied van samenwerken en knieklachten.
De Raad oordeelde dat de aangepaste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en de arbeidskundige beoordeling toereikend waren en dat de medische situatie van appellant voldoende was onderzocht. De Raad verwierp de stellingen van appellant over onvoldoende onderbouwing en concludeerde dat de ZW-uitkering terecht is beëindigd omdat appellant meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen. Een schending van artikel 7:12 Awb Pro werd gepasseerd wegens het ontbreken van benadeling.
Het Uwv werd veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd met verbetering van de gronden.
Uitkomst: De ZW-uitkering van appellant is terecht beëindigd omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kan verdienen.