Verzoekster werd tijdens de coronacrisis opgevangen in een locatie voor dak- en thuisloze gezinnen die niet in aanmerking kwamen voor de reguliere noodopvang. Het college besloot op 11 februari 2022 dat verzoekster uiterlijk tot 28 februari 2022 in deze opvang mocht verblijven, waartegen zij bezwaar maakte. Tijdens de bezwaarprocedure stuurde het college op 13 mei 2022 een brief met de mededeling dat verzoekster tot twee weken na de beslissing op bezwaar in de noodopvang mocht verblijven, maar tevens dat zij niet voldeed aan de voorwaarden voor deze opvang.
Het college verklaarde het bezwaar tegen het besluit van 11 februari 2022 ongegrond en het bezwaar tegen de brief van 13 mei 2022 niet-ontvankelijk omdat de brief geen besluit in de zin van de Awb bevatte. De rechtbank Amsterdam oordeelde anders en verklaarde het bezwaar tegen de brief gegrond, maar het hoger beroep van verzoekster slaagt bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelt dat de brief van 13 mei 2022 ondanks de ongelukkige formulering niet gericht is op rechtsgevolg en geen besluit vormt. Verzoekster is nooit toegelaten tot de noodopvang dakloze gezinnen, maar verbleef in het kader van coronamaatregelen in een andere opvanglocatie. Het college heeft het bezwaar tegen de brief terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.