ECLI:NL:CRVB:2023:1262
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Tozo 4-uitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant verzocht om een Tozo 4-uitkering als alleenstaande, maar het dagelijks bestuur wees de aanvraag af omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert met X. De rechtbank verklaarde het beroep tegen deze afwijzing ongegrond.
De kern van het geschil was of appellant en X in de relevante periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat bepalend is voor het al dan niet voeren van een gezamenlijke huishouding volgens artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de Participatiewet. Vast stond dat uit de relatie van appellant en X een kind is geboren en dat appellant dit kind heeft erkend.
De Raad stelde vast dat appellant en X beiden op hetzelfde adres stonden ingeschreven en dat appellant dit adres als zijn woonadres had opgegeven. Ook zijn eigen verklaringen bevestigden dat hij daar zijn hoofdverblijf had. De door appellant aangevoerde stelling dat het adres slechts een briefadres zou zijn, werd verworpen omdat dit in tegenspraak was met de feiten en zijn eerdere verklaringen. De brief van het UWV uit 2009 was niet relevant voor de situatie ten tijde van de aanvraag.
De Centrale Raad van Beroep concludeerde dat het dagelijks bestuur terecht had vastgesteld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant een gezamenlijke huishouding voert en daardoor geen recht heeft op de Tozo 4-uitkering.