ECLI:NL:CRVB:2023:1181
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing dwangsom wegens ontbreken tijdige aanvraag Wmo 2015
Appellant had tot 28 februari 2019 een persoonsgebonden budget (pgb) voor gespecialiseerde begeleiding en dagbesteding op grond van de Wmo 2015. Na e-mails in februari en april 2019 over verlenging startte het college een onderzoek, maar stelde de aanvraag buiten behandeling wegens gebrek aan medewerking. Appellant nam in november 2019 opnieuw contact op, waarna een medisch advies werd ingewonnen, maar ook toen lukte het college niet een gesprek te plannen.
Appellant stuurde in april 2020 een e-mail met het verzoek om contact per e-mail of telefoon en stelde het college in gebreke met een brief van 8 april 2020. Het college stelde bij besluit van 30 april 2020 vast dat geen dwangsommen waren verbeurd omdat appellant slechts meldingen deed en geen formele aanvraag had ingediend. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat geen aanvraag was ingediend en dus geen sprake was van niet tijdig beslissen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat meerdere e-mails en de ingebrekestelling als aanvraag moesten worden gezien. De Raad oordeelde dat eerdere e-mails, indien al als aanvraag te kwalificeren, buiten behandeling waren gesteld en dat de e-mail van 6 april 2020 te laat was om dwangsom te rechtvaardigen. Ook de ingebrekestelling was geen geldige aanvraag. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.