ECLI:NL:CRVB:2023:1124
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ZW-uitkering na eerstejaars beoordeling wegens verdiencapaciteit boven 65%
Appellante, werkzaam als productiemedewerker, meldde zich ziek met fysieke klachten en ontving een Ziektewetuitkering vanaf 1 juni 2018. Na een eerstejaars ZW-beoordeling concludeerde een verzekeringsarts samen met een arbeidsdeskundige dat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen, waarop het Uwv haar uitkering beëindigde per 30 juni 2019.
Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, stellende dat haar beperkingen, met name aan haar hand, nek en rug, alsmede psychische klachten, onvoldoende waren meegewogen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en dat de beperkingen adequaat waren meegenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML).
In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten, maar bracht geen nieuwe medische informatie in. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige de belastbaarheid van appellante juist en zorgvuldig hadden vastgesteld en dat de beperkingen niet waren onderschat. De Raad bevestigde daarom het besluit tot beëindiging van de ZW-uitkering per 30 juni 2019.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging van de ZW-uitkering per 30 juni 2019 omdat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen.