Uitspraak
22.2559 ZW
mr. J.J. Grasmeijer.
Centrale Raad van Beroep
Appellante was huishoudelijke hulp en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling stelde het UWV vast dat zij geen recht meer had op ziekengeld omdat zij meer dan 65% van haar maatmaninkomen kon verdienen met geschikte functies. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek als zorgvuldig en toereikend werd beoordeeld.
In hoger beroep voerde appellante aan dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar rug- en psychische klachten en dat een urenbeperking noodzakelijk was. De Raad oordeelde dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dit adequaat had gemotiveerd en dat er geen nieuwe medische gegevens waren die een verdere beperking rechtvaardigden. Ook de geschiktheid van de geselecteerde functies werd bevestigd.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.