ECLI:NL:CRVB:2023:1038
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging Ziektewet-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing urenbeperking en geschiktheid functies
Appellant was werkzaam als productiemedewerker en meldde zich ziek vanwege schouderklachten. Na een eerstejaars ZW-beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast, waarna het UWV concludeerde dat appellant meer dan 65% van zijn loon kon verdienen en beëindigde de ZW-uitkering per 10 januari 2020.
Appellant maakte bezwaar en beroep tegen deze beslissing, stellende dat hij door zijn schouderklachten verdergaand beperkt was, met name in reiken en het gebruik van zijn rechterarm, en dat een urenbeperking op zijn plaats was. Hij verwees naar medische rapporten en vroeg om inschakeling van een deskundige.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige onderschreven het eerdere oordeel dat de beperkingen voldoende waren meegenomen en dat de geselecteerde functies geschikt waren. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende medische onderbouwing leverde voor een urenbeperking en dat de schouderklachten geen reden gaven om de geschiktheid van de functies te betwijfelen.
De Raad wees het verzoek om inschakeling van een deskundige af en bevestigde dat de ZW-uitkering terecht was beëindigd. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: De Ziektewet-uitkering van appellant is terecht beëindigd per 10 januari 2020 wegens onvoldoende medische onderbouwing voor urenbeperking en geschiktheid van de geselecteerde functies.