ECLI:NL:CRVB:2022:994
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen terugvordering nabestaandenuitkering wegens kostendelersnorm
Appellante ontving vanaf maart 2011 een nabestaanden- en halfwezenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW). In 2015 werd haar nabestaandenuitkering verlaagd vanwege de kostendelersnorm en later beëindigd toen haar jongste kind 18 werd. Na herziening werd de uitkering hervat wegens arbeidsongeschiktheid. De Sociale verzekeringsbank (Svb) vorderde later een bedrag van ruim €11.000 terug wegens een te hoog toegepast normbedrag.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende aannemelijk maakte dat terugvordering onaanvaardbare financiële of sociale gevolgen had. In hoger beroep stelde appellante dat de terugvordering buitensporig was en zij daardoor te weinig pensioen overhield. De Svb erkende deels een fout en matigde de terugvordering over een deel van de periode.
De Raad oordeelde dat er geen dringende redenen zijn om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien, omdat appellante geen onderbouwing gaf voor haar stellingen. De Raad vernietigde het bestreden besluit en droeg de Svb op het terugvorderingsbedrag opnieuw vast te stellen, waarbij alleen beroep bij de Raad mogelijk is tegen het nieuwe besluit. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de Svb opgedragen het terugvorderingsbedrag opnieuw vast te stellen.