Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 4,- door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg, maar de Centrale Raad van Beroep verklaarde dit hoger beroep niet-ontvankelijk omdat het griffierecht niet volledig was betaald. Appellant maakte vervolgens verzet tegen deze beslissing en stelde dat hij niet over voldoende inkomen beschikte om het griffierecht te voldoen. Hij verwees daarbij naar artikel 34, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand.
De Raad heeft het verzet behandeld en geoordeeld dat appellant niet voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht. Uit de stukken bleek dat het inkomen van appellant hoger was dan de norm van 90% (en later 95%) van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, die geldt als maatstaf voor betalingsonmacht. De Raad stelde vast dat de Wet op de rechtsbijstand niet van toepassing is op de toetsing van betalingsonmacht voor het griffierecht.
Daarmee is het verzet ongegrond verklaard en is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het reeds betaalde griffierecht van € 4,- wordt aan appellant terugbetaald. De uitspraak werd gedaan door J.C. Boeree, in aanwezigheid van griffier R. van der Heide, op 21 april 2022.
Uitkomst: Het verzet van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht voor het griffierecht.