Appellante stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, maar dit werd door de Raad niet-ontvankelijk verklaard vanwege te late indiening. Appellante maakte verzet hiertegen met het argument dat de uitspraak door corona-gerelateerde omstandigheden te laat aan haar gemachtigde was bezorgd, waardoor de beroepstermijn niet tijdig kon starten.
De Raad overwoog dat de uitspraak op de voorgeschreven wijze per aangetekende post was verzonden en dat appellante de uitspraak pas later ontving door omstandigheden buiten haar schuld. Volgens vaste rechtspraak wordt in dergelijke gevallen een termijn van twee weken gegund om alsnog beroep in te stellen. De gemachtigde van appellante ontving de uitspraak op 16 februari 2021, maar stelde het hoger beroep pas op 4 maart 2021 in, wat niet spoedig genoeg was.
De Raad oordeelde dat de keuze van de gemachtigde om geen pro forma beroep in te stellen maar direct een gemotiveerd beroepschrift te willen indienen geen uitzonderlijke omstandigheid vormt die een langere termijn rechtvaardigt. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard en bleef de niet-ontvankelijkverklaring in stand.