Uitspraak
PROCESVERLOOP
OVERWEGINGEN
BESLISSING
- verklaart het verzet ongegrond;
- bepaalt dat het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 2,50 door de griffier aan appellant wordt terugbetaald.
Centrale Raad van Beroep
Appellant had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Limburg, maar dit hoger beroep werd door de Centrale Raad van Beroep niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet volledig was betaald. Appellant stelde in verzet dat hij niet over voldoende inkomen beschikte om het griffierecht te voldoen en verwees daarbij naar artikel 34, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand.
De Raad oordeelde dat deze wet niet van toepassing is op de toetsing van betalingsonmacht voor griffierecht. Uit de overgelegde stukken bleek dat het inkomen van appellant hoger was dan de norm van 90% (later 95%) van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, waardoor hij niet voldeed aan de criteria voor betalingsonmacht.
Verder stelde appellant dat zes van de negen zaken samenhangende zaken waren waarvoor slechts één keer griffierecht verschuldigd zou zijn, maar de Raad stelde dat elke zaak een aparte beoordeling vergt en dat de anticumulatieregeling niet van toepassing is.
Op grond van deze overwegingen verklaarde de Raad het verzet ongegrond en bepaalde dat het reeds betaalde griffierecht van € 2,50 aan appellant wordt terugbetaald. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het verzet van appellant wordt ongegrond verklaard omdat hij niet voldoet aan de criteria voor betalingsonmacht voor het griffierecht.