ECLI:NL:CRVB:2022:9
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WGA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant, voormalig vrachtwagenchauffeur, kreeg een WGA-uitkering toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 66,51%. Het UWV stelde bij herbeoordeling vast dat appellant sinds 22 maart 2019 minder dan 35% arbeidsongeschikt is en beëindigde daarom de uitkering. Appellant maakte bezwaar en bracht medische stukken in, maar de verzekeringsarts bezwaar en beroep handhaafde de beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) en concludeerde dat appellant onveranderd minder dan 35% arbeidsongeschikt was.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, oordeelde dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat de arbeidsdeskundige de functies passend had geselecteerd. Appellant voerde in hoger beroep aan dat de FML onjuist was ingevuld en verzocht om een onafhankelijk deskundige, verwijzend naar het arrest Korošec van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De Raad toetste de zorgvuldigheid van de besluitvorming, het beginsel van equality of arms en de inhoudelijke beoordeling. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank, vond geen aanwijzingen voor schending van equality of arms en zag geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijk deskundige. De nieuwe medische stukken brachten geen ander licht op de zaak. Ook de geschiktheid van de functies werd bevestigd.
Het hoger beroep wordt verworpen, de aangevallen uitspraak bevestigd en het verzoek tot schadevergoeding afgewezen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat het UWV terecht de WGA-uitkering heeft beëindigd wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid.