ECLI:NL:CRVB:2022:89
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging WIA-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid na herbeoordeling
Appellante was sinds 2011 arbeidsongeschikt gemeld met klachten aan nek, rug en hoofd. Het UWV kende haar een loongerelateerde WGA-uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 52%, later bijgesteld naar 49,09% en vervolgens een WGA-vervolguitkering. Na een herbeoordeling in 2017 werd haar arbeidsongeschiktheid verhoogd tot 80-100%. In 2018 vroeg de werkgever een nieuwe herbeoordeling aan, waarna het UWV in november 2018 besloot dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de uitkering per januari 2019 stopte.
Appellante maakte bezwaar en het UWV handhaafde het besluit na aanvullend onderzoek door verzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, omdat het onderzoek zorgvuldig was en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. Appellante stelde in hoger beroep dat zij volledig arbeidsongeschikt was en dat de urenbeperking ten onrechte was vervallen, mede vanwege haar recidiverende depressieve stoornis.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank. De verzekeringsartsen hadden na dossieronderzoek, gesprekken en lichamelijk en psychisch onderzoek een verbetering vastgesteld en geen medische noodzaak voor een urenbeperking aangetoond. Ook de arbeidsdeskundige had de geschiktheid van de geselecteerde functies overtuigend gemotiveerd. Het hoger beroep werd verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de beëindiging van de WIA-uitkering bevestigd.