ECLI:NL:CRVB:2022:889
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing ziekengeld na eerstejaars Ziektewet-beoordeling wegens onvoldoende beperkingen
Appellant, laatstelijk werkzaam als schoonmaker, meldde zich ziek met diverse lichamelijke klachten en ontving ziekengeld op grond van de Ziektewet. Na een eerstejaars beoordeling stelde een verzekeringsarts beperkingen vast in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML), waarna het UWV besloot dat appellant geen recht meer had op ziekengeld omdat hij meer dan 65% van zijn maatmaninkomen kon verdienen.
Appellant maakte bezwaar en beroep, waarbij een verzekeringsarts bezwaar en beroep een nieuwe FML opstelde met meer beperkingen, maar het UWV het bezwaar ongegrond verklaarde. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en motiveerde uitgebreid waarom de medische en arbeidskundige gronden onvoldoende waren om het besluit te wijzigen.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn medische en arbeidskundige gronden, zonder nieuwe stukken of argumenten aan te dragen. De Raad overwoog dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij meer beperkt was dan in de FML was opgenomen, ook niet met betrekking tot zitten of urenbeperkingen. De geselecteerde functies bleken passend en de arbeidsdeskundige had voldoende gemotiveerd waarom deze geschikt waren.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het verzoek om vergoeding van proceskosten af. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, waarmee het UWV-besluit stand hield.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit van het UWV dat appellant geen recht meer heeft op ziekengeld wordt bevestigd.