ECLI:NL:CRVB:2022:861
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstand wegens niet verschijnen op eerste werkdag
Appellant ontving bijstand en had een baan bij een werkgever afgesproken, met een startdatum op 27 juli 2018. Hij verscheen die dag en de dag daarna zonder bericht niet op het werk, waarna de werkgever het contract beëindigde. Het college legde een maatregel op door de bijstand met 100% te verlagen voor een maand.
Appellant voerde aan dat de arbeidsovereenkomst nog niet schriftelijk was vastgelegd en dat hij zich ziek had gemeld, maar deze gronden werden niet aannemelijk geacht. De Raad stelde vast dat de werkgever meerdere pogingen had gedaan om contact te zoeken en dat appellant geen concrete bewijsstukken over zijn ziekmelding had overlegd.
Verder stelde appellant dat er sprake was van een misverstand over de tweede werkdag, maar ook dit werd door de Raad verworpen omdat de werkgever hem een tweede kans had geboden en appellant had moeten navragen.
De Raad concludeerde dat appellant zijn verplichting om algemeen geaccepteerde arbeid te aanvaarden en te behouden niet was nagekomen en dat de gedraging hem volledig kan worden verweten. Er waren geen bijzondere omstandigheden die matiging van de maatregel rechtvaardigden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de verlaging van de bijstand bevestigd.
Uitkomst: De bijstand van appellant wordt met 100% verlaagd voor een maand wegens het niet verschijnen op de eerste werkdag.