ECLI:NL:CRVB:2022:855
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering WIA-uitkering na epileptische aanval op werkplek
Appellant, werkzaam als magazijnmedewerker, meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten en vroeg een WIA-uitkering aan. Het UWV stelde vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en weigerde de uitkering toe te kennen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarbij werd aangenomen dat een rustruimte op de werkplek voldoende is.
In hoger beroep stelde appellant dat na een epileptische aanval slapen op of nabij de werkplek noodzakelijk is vanwege vermoeidheid die ongeveer een uur duurt. Het UWV en de verzekeringsarts bezwaar en beroep stelden echter dat appellant thuis in alle rust kan bijkomen en slapen, en dat er geen medische noodzaak is voor slapen op de werkplek.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de medische en arbeidskundige rapporten voldoende onderbouwd zijn en dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering omdat er geen medische noodzaak is om direct na een epileptische aanval op de werkplek te slapen.