ECLI:NL:CRVB:2022:85
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing recht op ziekengeld na eerstejaars Ziektewetbeoordeling
Appellante was afdelingsmanager en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten tijdens een WW-uitkering. Na het bereiken van de maximale WW-duur kreeg zij een Ziektewetuitkering. Het UWV stelde na een eerstejaars Ziektewetbeoordeling vast dat zij met beperkingen nog 75,85% van haar maatmaninkomen kon verdienen en beëindigde haar ziekengeld.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat het medisch onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en de beperkingen adequaat waren vastgesteld. In hoger beroep voerde appellante aan dat het onderzoek onzorgvuldig was, onder meer vanwege onvoldoende erkenning van beperkingen bij hoofdbewegingen en cognitieve klachten.
De Raad oordeelde dat de verzekeringsartsen de klachten gemotiveerd hadden beoordeeld en dat er geen aanleiding was voor een onafhankelijk deskundigenonderzoek. De medische informatie van appellante was onvoldoende om beperkingen te objectiveren. Ook de arbeidsdeskundige had vastgesteld dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren.
De Raad concludeerde dat appellante meer dan 65% van haar maatmaninkomen kan verdienen en bevestigde de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot beëindiging van het ziekengeld wordt bevestigd.