ECLI:NL:CRVB:2022:811
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging correcte vaststelling buitenlandbijdrage op wereldinkomen zonder maximering
Appellant, woonachtig in Duitsland en gerechtigd tot een Nederlands ouderdomspensioen, betwistte de vaststelling van de buitenlandbijdrage door het CAK over het jaar 2016. Volgens appellant had het CAK moeten blijven toepassen dat de bijdrage gemaximeerd werd tot het Nederlandse bruto pensioen, zoals geregeld in de oude Verordening 1408/71, en dat het CAK hem hierover had moeten informeren volgens de informatieverplichting in Verordening 883/2004.
De Raad overwoog dat het CAK de buitenlandbijdrage correct had vastgesteld volgens de dwingendrechtelijke regels van Verordening 883/2004, die sinds 1 mei 2010 geldt en waarin de maximering niet langer is opgenomen. Hoewel het CAK appellant niet volledig had geïnformeerd over deze wijziging, achtte de Raad deze omissie niet zwaarwegend genoeg om gevolgen te verbinden aan het bestreden besluit.
Verder wees de Raad het beroep af dat appellant onder het overgangsrecht van artikel 87, achtste lid, van Verordening 883/2004 zou vallen, omdat appellant niet voldeed aan de voorwaarden daarvoor. De rechtbank had het bezwaar van appellant reeds ongegrond verklaard en de Raad bevestigde deze uitspraak, waarmee het hoger beroep werd verworpen.
Uitkomst: De buitenlandbijdrage over 2016 is correct vastgesteld op basis van het wereldinkomen zonder maximering tot het Nederlandse pensioen.