Appellant ontving een AOW-pensioen als alleenstaande sinds 2007. De Sociale Verzekeringsbank (Svb) herzag dit pensioen met ingang van 2011 naar een gehuwdenpensioen en vorderde het teveel ontvangen bedrag terug, omdat zij stelde dat appellant en zijn partner een gezamenlijke huishouding voerden.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, maar in hoger beroep oordeelde de Centrale Raad van Beroep dat de onderzoeksbevindingen onvoldoende feitelijke grondslag boden voor de conclusie van een gezamenlijke huishouding. De verklaringen van appellant en zijn partner waren niet specifiek, gedetailleerd of consistent genoeg, en objectieve gegevens zoals waterverbruik ondersteunden de conclusie niet.
De Raad stelde vast dat het hoofdverblijf van de partner vanaf mei 2016 bij appellant was, maar dat voor de periode van 1 april 2011 tot 1 mei 2016 onvoldoende bewijs was voor gezamenlijke huishouding. Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en het herzieningsbesluit en bepaalde dat de Svb een nieuw besluit moet nemen over het terugvorderingsbesluit. Tevens werd de Svb veroordeeld in de proceskosten.