ECLI:NL:CRVB:2022:734
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid
Appellant was administratief medewerker/geestelijk verzorger en meldde zich ziek met psychische en lichamelijke klachten. Het UWV stelde op basis van een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) vast dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt was en weigerde een WIA-uitkering toe te kennen. De rechtbank oordeelde dat de medische beoordeling juist was en dat de geselecteerde functies binnen de beperkingen van appellant passen.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn beperkingen niet juist waren vastgesteld en dat er sprake was van geen benutbare mogelijkheden, mede vanwege psychische klachten en een whiplashtrauma. Hij vroeg om benoeming van een psychiater als deskundige. Na heropening van het onderzoek bracht appellant een brief in van een gezondheidspsycholoog, die een vroegtijdig afgebroken neuropsychologisch onderzoek beschreef.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeerde dat de FML niet hoefde te worden gewijzigd en dat de klachten niet wezenlijk afweken van eerder bekende informatie. De Raad onderschreef de rechtbank en oordeelde dat het UWV terecht minder dan 35% arbeidsongeschiktheid had vastgesteld en dat de functies passend zijn. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van een WIA-uitkering bevestigd.