ECLI:NL:CRVB:2022:71
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging tijdelijke aanstelling zonder overgang naar vaste aanstelling
Appellante was van 2016 tot 2018 gedetacheerd werkzaam bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken en kreeg daarna een tijdelijke aanstelling van maart 2018 tot februari 2020 in verschillende functies met verschillende salarisschalen. De minister besloot de tijdelijke aanstelling niet te verlengen en dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
Appellante stelde in hoger beroep dat haar tijdelijke aanstelling van rechtswege was overgegaan in een vaste aanstelling vanwege drie jaar dienstverband en dezelfde werkzaamheden. Ook voerde zij aan dat de minister niet zorgvuldig had gehandeld en dat de Wet Normalisering Rechtspositie Ambtenaren (WNRA) van toepassing was.
De Raad volgde appellante niet en bevestigde dat niet was voldaan aan de voorwaarden van artikel 19 van Pro het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken, omdat er geen drie tijdelijke aanstellingen waren, de duur niet langer dan 36 maanden was en de werkzaamheden niet hetzelfde waren. Ook was de WNRA niet van toepassing op het geschil en was het beroep op het vertrouwensbeginsel niet gegrond vanwege een expliciet voorbehoud in een e-mail.
De Raad concludeerde dat de tijdelijke aanstelling niet overging in een vaste aanstelling en dat de minister niet in strijd met het recht had gehandeld door de aanstelling niet te verlengen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De tijdelijke aanstelling van appellante is niet overgegaan in een aanstelling voor onbepaalde tijd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.