Appellanten, beiden met psychische en somatische problematiek, ontvingen van het college een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015 voor ondersteuning bij administratie, financiën, huishoudelijke hulp, sociaal functioneren en zelfzorg, vastgesteld op 14 uur en 10 minuten per week. Daarnaast werden dagbestedingsvoorzieningen toegekend voor respectievelijk drie en vijf dagdelen per week.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen de omvang van de maatwerkvoorziening voor administratie deels gegrond en kende eenmalig extra begeleiding toe, maar wees de overige beroepen af. In hoger beroep stelden appellanten dat de toegekende uren onvoldoende waren en dat de besluiten onvoldoende concreet waren.
De Raad oordeelde dat het college zorgvuldig onderzoek had verricht en de omvang van de ondersteuning passend was, mede gelet op de Wmo-richtlijn Indicatieadvisering en de CIZ-indicatiewijzer. Appellanten hadden onvoldoende objectieve onderbouwing geleverd en medewerking aan aanvullend onderzoek geweigerd. De Raad zag geen aanleiding een deskundige te benoemen en wees het hoger beroep af.
Ten slotte benadrukte de Raad dat het college zorg draagt voor daadwerkelijke levering van de toegekende uren en dat appellanten zich geen zorgen hoeven te maken over de financiering daarvan. Proceskosten werden niet toegewezen.